Straffen en belonen

Op Facebook lees ik regelmatig opvoedingsvragen. Wordt een goed rapport beloond? Welke bedtijden zijn voor kinderen van een bepaalde leeftijd normaal? Hoe gaan we om met straffen en belonen? Vragen waarop tientallen reacties van (vrienden van) vrienden gegeven worden – zeer uiteenlopend.

Straffen en belonen zijn nooit zo mijn ding geweest. Mijn kinderen (inmiddels alle drie gevorderd puber) hebben niet voor straf op de gang gestaan of op de trap gezeten. Ook voor straf eerder naar bed of binnen blijven kwam niet in mijn opvoedwoordenboek voor. Ik herinner me een aantal situaties waarin ik op behoorlijk onbegrip van de omgeving stuitte en het lastig vond mijn eigen koers te varen. Toen Marcus – tegen de gewoonte in – op de skelter ons plein had verlaten en bij de supermarkt (een kilometer verderop) werd gevonden. Toen de jongens bij opa en oma in de tuin alles interessanter vonden dan aan tafel blijven zitten en hun bord leeg eten. Tegenwoordig, wanneer bij mijn jongste puberzoon blijkt dat de balans tussen gamen en huiswerk maken best lastig is. Ja, in de weken voorafgaand aan de toetsweek is de computer van zijn kamer gegaan – maar niet voor straf. Na overleg, waarin we het eens werden over het belang daarvan. Ook belonen van (in onze ogen) goed gedrag vind ik een lastige. Mijn jongens krijgen geen geld krijgen voor een goed rapport. Werken met beloningssystemen als stickers voor plassen op het potje of een droge nacht was ver mijn bed. Ook in mijn werk trouwens, waarin ik in een ver verleden leerlingen en docenten heb begeleid, heb ik dergelijke gedragsregulerende middelen niet of nauwelijks gebruikt. Want dat is wat in mijn ogen gebeurt: door straffen en belonen wordt gedrag van kinderen gereguleerd. We proberen met deze middelen gedrag dat het kind laat zien te veranderen. Is dat wat we willen? Verandering op de laag van het gedrag? Of is het wenselijker dat kinderen zich gedragen en leven naar hun innerlijke motivatie?

Waarom heb ik het straffen en belonen laten liggen? Wellicht vanuit een onbewuste, diepe behoefte om kinderen zoveel mogelijk zichzelf te laten zijn. Vanuit de overtuiging dat kinderen niet lastig zijn, maar achter het gedrag dat wij als lastig ervaren een onbehagen of verlangen schuil gaat. Dat we in een oprecht contact, in een werkelijke verbinding daar meer zicht op kunnen krijgen. Dat we vanuit dat contact, vanuit die verbinding in overleg stappen kunnen maken. Dat wij door straffen en ja, ook door belonen kinderen vooral willen krijgen waar wij hen willen hebben. Vanuit onze waarden, normen en overtuigingen. Terwijl we ons kunnen afvragen of wij wel weten wat goed is voor hen.

Begrijp me niet verkeerd: ik bedoel niet dat we kinderen dus maar moeten laten gaan en we sturing en begeleiding overboord mogen gooien. Zeker niet! Kinderen varen wel bij duidelijkheid, die hen ook veiligheid geeft. Maar duidelijkheid kan ontstaan vanuit een liefdevolle houding, met een voortdurend oog voor wat er leeft in het kind.